|
Uit cijfers van de Volkstelling van
1796 blijkt dat er toen iets meer dan 15.000 katholieken woonden in Friesland,
dat is 9,7% van de bevolking en bij de volkstelling van 1947 was dat aantal
circa 33.500, 7,3% van de bevolking in die provincie.
De vraag waarom
juist in bepaalde dorpen en steden redelijke aantallen katholieken bleven wordt
beschouwd als toeval¹. Er bestaan wel enkele anekdotes over: bijvoorbeeld over
de invloed van Westfaalse katholieke families, die de middenstand in
bijvoorbeeld Sneek kwamen versterken in de 19e eeuw en over de tolerante houding
t.a.v. van katholieken in Irnsum in de 18e eeuw.(4)
De volkstelling van
1947 laat een grote concentratie zien: 295 van 393 van de buurtschappen van
Friesland, (75%) telt minder dan 5 % katholieken, terwijl slechts 32
buurtschappen (8%) boven de 20% uitkomen. Binnen deze laatste groep varieren
de aandelen van 20.2% in Joure tot 48.4% in Steggerda, 55.6% in St. Nicolaasga,
61.6% in Bakhuizen, 88.0% in Blauwhuis en 99.1% in Buren (Ameland). De
buurtschappen waar de hogere aandelen voorkomen zijn over het algemeen plaatsen
waar een parochiekerk is gevestigd zoals St. Nicolaasga, Bakhuizen en Blauwhuis.
Deze plaatsen telden in 1948 zelfs tezamen 83,4% van alle Friese katholieken,
tegenover slechts 38.9% van de totale bevolking. Het aandeel der katholieken
in de gemeente Baarderadeel bedraagt 4.6%, maar het dorp Oosterwierum in deze
gemeente telt 46.0% katholieken. Overigens benaderen nog 12 van de 15 dorpen in
Baarderadeel nog niet de 1% katholieken. (cijfers van de Volkstelling 1948,
geciteerd door Goddijn)
In op de gemeente Wymbritseradeel: de
buurtschappen varieren van 0,0% tot 88.0% (=Westhem, inbegrepen Blauwhuis),
Wolsum (14.7%) {o.a. hele grote tak Teernstra/Teerenstra later weer aangehuwd
aan de Hoogma's} en Tirns 36,7%.¹
De gegevens over de katholieke
dorpen weerspiegelen aardig de vindplaatsen van de Hoogma/Hogema's en aangehuwde
families.
In de steden is goddeloosheid troef. In Leeuwarden zijn er
in 1947, 37.0% onkerkelijken en de RK bevolking was daar al van oudsher arm en
vaak bedeeld. Bolsward vormt daarop een gunstige uitzondering: in 1947 was
37.8% katholiek en slechts 13.8% buitenkerkelijk, Dit is lager dan in menige
plattelandsgemeente. Door de vestiging van de enige katholieke middelbare school
in Friesland, heeft het belangrijk aan signatuur gewonnen¹
In een drietal
oude nederzettingen in Oostelijk Friesland, Heerenveen, Wolvega en Steggerda
zijn weliswaar in de kern autochotone groepen katholieken, die hier woonachtig
zijn – doch zij krijgen toch een uitzonderlijk karakter, omdat zij later sterke
uitbreiding met vreemde import kregen ten gevolge van de verveningen.¹ Deze
conclusie is juist en niet alleen af te lezen aan de hand van de genealogische
gegevens van de familie Maatman (echtgenote van Hermanus Antonius Hoogma), die
pas vanaf circa 1810 in Weststellingwerf kwam te wonen, maar ook aan de
voorouders van aangehuwden van Johannes Stevens Hoogma die in Terband heeft
gewoond}.
Noten:
1). Dr. W. Goddijn, O.M.F. Katholieke Minderheid
en Protestantse Dominant. Sociologische nawerking van de historische relatie
tussen katholieken en protestanten in Nederland en in het bijzonder in de
provincie Friesland. Assen, Van Gorcum, 1957.
2) L.J. Rogier,
Geschiedenis van het Katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en 17e eeuw
I-II, Amsterdam, 1945-1946 (deel I p. 458, deel II p. 461)
3. J. de Jong,
Uit Friesland's katholiek verleden, in: Hoe wij groeiden, Leeuwarden, 1932 p.
26
4. J.H. Hofman, Wijtgaard en Oosterwierum, in: Archief voor de
geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht III, 1876 , p. 142 [van dezelfde
auteur ook een deel over Irnsum, deel XX, 1893] (De publicaties van Hofman
zijn in de KB in Den Haag).
naar boven
|