|
Voor zover ik nu heb kunnen
uitzoeken gaat de familiegeschiedenis Hogema - Hoogma terug naar het plaatsje
Bozum (Boazum) in Friesland ten tijde van het midden van de 16e
eeuw.
Bozum is een oud Fries dorp, gelegen aan de westelijke oever
van de oude Middelzee. Volgens oude beschrijvingen ligt Bozum niet direct
aan de zeearm, maar loopt er een riviertje van het dorp naar de Middelzee.
Wellicht zien we in de Bozumervaart een latere voortzetting van dit stroompje.
De Bozumervaart is in deze tijd van groot belang voor de scheepvaart van
Franeker naar de Middelzee en later naar de Zwette.
Het dorp zelf ligt
op een zeer grote terp. Volgens sommige geschiedschrijvers zelfs op twee terpen.
Aan de zuidkant van de terp ligt het slot van Walta, de heren van Bozum.
Vóór de familie Walta is het slot bewoond door de Jongema's. In 998 is
er namelijk al sprake van bewoning door een Hessel Aedes Jongema van Bozum.
Zijn kleinzoon Pier Epes, zoon van Epe Hessels van Jongema en Jouck Agges
van Walta, gebruikt later de naam van zijn moeder en noemt zich: Pier
Epes Walta van Bozum.
Ná de Walta's is het slot bewoond door de
families Bronkhorst, Van Aylva en Van Burmania. In de 18e eeuw liet ritmeester
Menno Frans van Burmania het oude slot afbreken. Op grond van een proces op
grond waarvan de erfgenamen het slot opnieuw moesten opbouwen. Hiervoor is toen
Sythiema-state uit Hallum afgebroken en verplaatst naar Bozum. In 1839 is het
uiteindelijk definitief gesloopt.
In 1465 wordt bij Bozum de Middeleeuwse
slag geleverd tussen de Schieringen onder leiding van Agge Donia en de
Vetkopers onder leiding van Inge Galama van Coudum, waarbij Agge werd
verslagen. Aan het eind van de 16e eeuw woont in Bozum (Friesland) Dinglum
Ariens, boer, meijer en kerkvoogd in Bozum.
Waar hij en zijn vader
Arien vandaan komen is vooralsnog niet bekend. Het patroniem Dinglum
ben ik in Friesland niet verder tegengekomen.
Naast verder onderzoek
naar het patroniem Dinglum onderzoek ik momenteel een mogelijke relatie met
Pier Epos Walta van Bosum, eigenaar van Walta-state en grote stukken
grond te Bosum. Dinglum Ariens was in ieder geval meier bij de
Walta's.
Dinglum Ariens neemt daarbij een vooraanstaande positie
in Bozum. Hij is als rooms-katholiek (papist) kerkvoogd (1612 en 1613)
binnen de Nederlands Hervormde kerk. (verkiezing steeds voor twee jaar). Hij
was dus een man van aanzien. De kerk was eigendom van de gehele
dorpsgemeenschap. In die tijd komt het wel vaker voor, dat dezelfde kerk
gebruikt en beheerd wordt door katholieken én hervormden samen.De hervorming
was weliswaar in Bozum al in 1580 ingevoerd maar werd pas later toegepast.
Uitsluiting van de Roomsen van het stemrecht bijvoorbeeld volgde pas in 1640.
Als
meijer is Dinglum Ariens eigenaar van de woning en toebehoren op plaats
nummer 39. Hij werd voor het eerst genoemd in het register van de Rechtdag
ordinarus van 19 september 1608 in een zaak tegen Fecke Tettes in
Oostereind. (recesboek) ln 1612 wordt hij vermeld als zwager van Pieter
Scheltes in Bozum nr.33 (R.K.) In 1616, 1620 en 1623 was hij aanwezig op de
kerkrekendag (archief Wommels). ln 1634 maakt hij zijn testament ten gunste
van zijn zoon Allard Dinglums. Hij is dan blind. ln 1636 wil hij het aan
Sybrand Scheltes geleend geld terug. Deze was boer op nr. 40.
Bij
testament van Pier Walta (de laatste Walta in Bozum, de stins was nog tot de 20e
eeuw intact) in 1545 krijgt Dinglum fideïcommissum.
Een
bijzondere, maar vroeger in Friesland toch heel gebruikelijke making, was het
fideïcommis of de making over de hand. Hieronder werd verstaan, dat de testator
alvast bepaalde op wie een of ander onroerend goed vererven zou, als de
eerstaangewezen erfgenaam overleed. Men moet dit zo zien, dat deze eerste
erfgenaam, de fideïcommissari(u)s, wel eigenaar van dat goed werd, maar dat op
hem de last rustte het weer (ongeschonden) door te geven aan de na hem
aangewezen erfgenaam, de verwachten. Naar Romeins recht mocht degene, die belast
was met de uitkering van het fideïcommis 1/4 gedeelte houden, de zgn.
trebellianieke portie. Van de figuur van de making over de hand werd vaak
gebruik gemaakt voor het stichten van een familiefideïcommis. De testator legde
dan voor altijd vast op wie een bepaalde bezitting telkens weer moest
vererven, zodat die bezitting in de familie zou blijven. In dit kader kwam liet
nog al eens voor, dat de testator één van zijn bezittingen als "voordeelsgoed"
voor één van zijn zoons of kleinzoons aanwees met de bedoeling van die
bezitting een "stamslot" voor het hoofd van de familie te maken. Het
"voordeelsgoed" is eigenlijk niet zozeer een nalatenschap als wel een prelegaat,
d. w. z. dat dit "voordeelsgoed" bij de verdere verdeling van de erfenis tussen
de erfgenamen buiten beschouwing gelaten wordt; het wordt vooraf aan de
begunstigde toegedeeld. Zowel aan een (fideïcommissaire) erfstelling als aan een
legaat kon de testator voorwaarden verbinden, die de begunstigde, indien
mogelijk, moest vervullen. Uit: “Iets over het testament in de zestiende
eeuw”, B.S. Hempenius-van Dijk (Genealogisch Jierboekje 1975)
ln dit
geval gaat het om het meierrecht, zoals blijkt uit een proces, dat Tetje
Keimpes, weduwe van Allard Arjens op 27 oktober 1729 aanspant, mede namens
haar kinderen Baekte, Arjen en Dinglum tegen Vrouwe Anna Lucia Andriesa van
Camstra, vrouw van Minco van Burmania, wonend op Rinsumageest, als bezitter
van het Fideïcommisium van Pier Epes (Walta) van Bozum. Tetje stelt, dat de
erfgenamen van haar overleden man op grond van het fideïcommissium een
voortdurend meierrecht hebben op zathe en landen vallend onder nummer 39. Op 27
oktober 1730 komt de uitspraak. Het testament is in handen van Anna van Camstra
en dat enige bewijsstuk hoeft zij niet uit handen te geven, omdat het tegen haar
getuigt. Dus Tetje verliest hierdoor het proces, wat niet wil zeggen dat het
fideïcommissium niet bestaat. Uit het testament van Pier blijkt wel
degelijk dat er sprake is van een fideïcommissium. Hoe dit exact in elkaar
gezeten heeft voor de opgeiste rechten door Tetje Keimpes is nog niet
duidelijk. Een familierelatie met de Walta’s / Jongema’s ligt wellicht voor
de hand, maar is (noch) niet aangetoond.
De naam Hogema komen we het
eerst tegen in de vierde generatie bij Dinglum Allerts de Oude,
geboren in 1642. Hij gebruikt ook de naam Hoogsma.
Dinglum Allerts is
meesterbakker in Leeuwarden in 1666. Hij is voordien ook bakker in Bozum en
eigenaar van plaats nr. 41 aldaar.
Een van zijn zusjes, Uylck
Allerts, gebruikt bij haar huwelijk in Burgwerd de
naam: Hoogh.
In de loop van de onderzoekingen ben ik op
meerdere mogelijke naamsverklaringen gekomen. Ik geef verder op de
site een opsomming hiervan.
naar boven
|