*

Geschiedenis van Friesland

 

 

[Familiegeschiedenis][Geschiedenis van Friesland][RK in Friesland][Naamsverklaringen]
Home 
Genealogie 
Kwartierstaten 
Namenlijst 
Walta tot 1500 
Zie ook: 
Contact 

 

Geschiedenis van Friesland

(m.m.v. Marianne Hoogma)



De Friezen worden al genoemd bij Tacticus als vermaarde kooplieden en inpolderaars. Tacticus spreekt ervan, dat de Friezen "zich beveiligden tegen het geweld der baren door het opwerpen van terpen en wieren, hoogten op enige afstand van de zee waar een wijkplaats gevonden werd tegen de opkomende vloed". Nu meer dan 1000 jaren geleden zijn aarden dijken aangelegd langs de zeekust, vanaf 1570, onder bestuur van de Spaanse stadhouder Caspar de Robles, veranderd in zeeweringen met paalwerk en nog later met steenglooiingen.

In de 11e eeuw heerst in het Friese gebied formeel het gravengeslacht van de Brunonen, afkomstig uit het Duitse Brunswijk. Omstreeks het jaar 1000 regeert in Friesland geen graaf en volgens het zogenaamde privilege van Karel de Grote, in 800 verleend in Rome, zou dit ook nimmer gebeuren.

In 1086 komt het gebied in handen van de bisschop van Utrecht.

In 1165 besluit Keizer Frederik Barbarossa, middels het zogenaamde Condominium (verklaring van gemeenschappelijk bezit), dat Friesland regeert gaat worden door de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland samen. Samen dienen een graaf voor Friesland te benoemen.

Graaf Willem I wordt hiervoor aangesteld, maar hij brengt zijn regeringsverantwoordelijkheid voor Friesland eigenlijk nauwelijks ten uitvoer. Hij kiest al snel voor Holland.
Friesland blijft daardoor in daadwerkelijke zin zonder graaf.

In 1499 komt Albert van Saksen-Meissen, nadat hij de strijd tussen de Hoekschen en de Kabeljauwschen had weten neer te slaan, als eerste praktizerend bestuurder naar Friesland.
Hij stelt de Provinciale Raad te Franeker in.
In 1500 overlijdt hij. Zijn twee zonen, Hendrik en George, regeren daarna tot 1515 over Friesland.

Na een langdurige oorlog met Groningen wordt Friesland in 1515 overgedragen aan Karel van Oostenrijk, zoon van Filips de Schone en Johanna.

Met behulp van de stadhouders Karel van Brimeu, graaf van Megen, Gillis van Barlaymont, heer van Hierges, Caspar de Robles, heer van Billy, Georg van Lalaing, Graaf van Rennenberg en François Verdugo, heer van Schengen regeert Filips II tot 1580 over Friesland.

Friesland telde voor de Reformatie begin 16e eeuw circa 100.000 inwoners verdeeld over 360 parochies die door circa 1000 priesters bediend werden. Daarnaast waren er nog zo'n 50 kloosters en conventen.
Diverse oorzaken zijn te noemen voor de snelle uitbreiding van het Calvinisme in Friesland. Voor een deel liggen die al in de periode voor de Reformatie: Friesland is een buitenpost waarop het bisschoppelijk bestuur weinig gezag over heeft. Nergens waren de kerkelijke ambten zo vermolmd als in Friesland en soms verworden tot louter bron van inkomsten. De priesters waren matig geschoold en hielden er vaak een concubine op na. De kloosters hadden enorm veel land in bezit, tot ongenoegen van de boeren¹.

Onder Filips II groeit de spanning in de Nederlanden. De hogere adel krijgt het steeds minder voor het zeggen. De geloofsvervolging wordt daarnaast steeds erger.
Nadat het smeekschrift der edelen aan Margaretha van Parma is aangeboden denken de protestanten dat de strenge vervolgingen achterwege zullen blijven. Niets is echter minder waar. De opstand tegen de kerkelijke machthebbers mondt uit in de beeldenstorm (1566).

Op 31 maart 1580 wordt Willem I, prins van Oranje, grondlegger van de Nederlandschen Staat door de Staten van Friesland tot stadhouder en Gouverneur benoemd en vanaf dat moment werd de uitoefening van de katholieke godsdienst verboden.
De burgelijke overheid is nergens radicaler te werk gegaan dan juist in Friesland. "Alle priesters werden vervallen van hun ambt verklaard".
De katholieke minderheid in de steden werd geholpen door geloofsgenoten van elders (Haarlem, Leuven, Keulen) ¹.

Buiten de steden waren de ambtenaren meestal strenger in de uitvoering van de plakkaten en werden de onderduikadressen spoediger bekend. Nergens zijn de missionarissen zo lang en zo streng zijn vervolgd als juist in Friesland en in Friesland zijn, evenals in Groningen en Overijssel, de opeenvolgende plakkaten zeer drastisch geweest.² De trouw van de gelovigen, die de priesters verborgen, werd vaak zeer op de proef gesteld: hun eigen veiligheid was in gevaar. (...)

Voorts speelde ook de economische draagkracht van de gelovigen een rol. Gezamenlijk moesten soms grote sommen gelds worden opgebracht om de priesters weer vrij te kopen. Zo werden in de zomer van 1621 niet minder dan zeven priesters gevangen genomen en eerst losgelaten na betaling van een aanzienlijke losprijs³ en moest voor een priester die in Bozum werd betrapt, "een enkel paar boeren daar al de kracht hunner beurs te zijner loskooping aanwenden".

In latere jaren worden de plakkaten wat minder streng. In 1663 kende Friesland alweer 27 min of meer gedoogde staties met 27 priesters en in 1699 29 staties met 31 priesters. Dat groeit weinig meer: in 1805 30 staties en in 1879 29 staties. De grenzen voor de RK kerk liggen boven de lijn Leeuwarden-Harlingen, met uitzondering van de statie Dokkum en het zuidoostelijk deel van Friesland ten oosten van de lijn Leeuwarden-Heerenveen¹

Ameland is een verhaal apart, dat was min of meer particulier bezit en had een vrijheid van godsdienst.

Van 1580 tot 1795 kennen we verder het stadhoudersschap.

Na Willem I wordt in 1584 Willem Lodewijk (graaf van Nassau), oudste zoon van Willem's broer Jan de Oude, tot stadhouder en gouverneur benoemd.

Opeenvolgend zien we:
* Ernst Casimir, Graaf van Nassau,
broer van Willem Lodewijk (1620-1632),
* Hendrik Casimir I, Graaf van Nassau,
zoon van Ernst Casimir en Sophia Hedwig, hertogin van Brunswijk (1632-1640),
* Willem Frederik, Graaf en later Vorst of Prins van Nassau,
broer van Hendrik Casimir I (1640-1679),
* Hendrik Casimir II, Prins van Nassau,
zoon van Willem Frederik en Albertine Agnes (1679-1707)
Jan Willem Friso, prins van Oranje en Nassau,
zoon van Hendrik Casimir II en prinses Amalia van Anhalt-Dessau (1707-1731)
* Willem Carel Hendrik Friso, (later Willem IV) Prins van Oranje en Nassau,
zoon van Jan Willem Friso en prinses Maria Louise van Hessen-Kassel (1731-1751)
* Gedurende de jeugd van Willem V kennen we de regentschappen van
- Anna (1751-1766)
en van
- de Hertog Ernst van Brunswijk-Wolfenbüttel (1759-1766)
* Willem V, Prins van Oranje en Nassau,
zoon van Willem IV en Anna, kroonprinses van Groot-Brittannië (1766-1795).
In 1795 vlucht Willem V naar Engeland.

Van 1795 - 1810 zijn de Zeven Verenigde Nederlanden als de Bataafse republiek (1795-1806) en het Koninkrijk Holland (1806-1810) een vazalstaat van Frankrijk.

Van 1810 tot 1813 zijn de noordelijke Nederlanden volledig ingelijfd bij Frankrijk onder Keizer Napoleon Bonaparte.

Vanuit deze tijd kennen we de voor genealogen belangrijke wetten als de wet op de Bevolkingsregisters en de wet op het Kadaster.

naar boven


Copyright (c) 2007 J.P.F. Hogema. All rights reserved.

jan@hogema.org