|
De Friezen worden al genoemd bij Tacticus als vermaarde
kooplieden en inpolderaars. Tacticus spreekt ervan, dat de Friezen "zich
beveiligden tegen het geweld der baren door het opwerpen van terpen en wieren,
hoogten op enige afstand van de zee waar een wijkplaats gevonden werd tegen de
opkomende vloed". Nu meer dan 1000 jaren geleden zijn aarden dijken aangelegd
langs de zeekust, vanaf 1570, onder bestuur van de Spaanse stadhouder Caspar de
Robles, veranderd in zeeweringen met paalwerk en nog later met
steenglooiingen.
In de 11e eeuw heerst in het Friese gebied formeel het
gravengeslacht van de Brunonen, afkomstig uit het Duitse Brunswijk. Omstreeks
het jaar 1000 regeert in Friesland geen graaf en volgens het zogenaamde
privilege van Karel de Grote, in 800 verleend in Rome, zou dit ook nimmer
gebeuren.
In 1086 komt het gebied in handen van de bisschop van
Utrecht.
In 1165 besluit Keizer Frederik Barbarossa, middels het
zogenaamde Condominium (verklaring van gemeenschappelijk bezit), dat Friesland
regeert gaat worden door de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland samen.
Samen dienen een graaf voor Friesland te benoemen.
Graaf Willem I wordt
hiervoor aangesteld, maar hij brengt zijn regeringsverantwoordelijkheid voor
Friesland eigenlijk nauwelijks ten uitvoer. Hij kiest al snel voor Holland.
Friesland blijft daardoor in daadwerkelijke zin zonder graaf.
In 1499
komt Albert van Saksen-Meissen, nadat hij de strijd tussen de Hoekschen en de
Kabeljauwschen had weten neer te slaan, als eerste praktizerend bestuurder naar
Friesland. Hij stelt de Provinciale Raad te Franeker in. In 1500
overlijdt hij. Zijn twee zonen, Hendrik en George, regeren daarna tot 1515 over
Friesland.
Na een langdurige oorlog met Groningen wordt Friesland in 1515
overgedragen aan Karel van Oostenrijk, zoon van Filips de Schone en
Johanna.
Met behulp van de stadhouders Karel van Brimeu, graaf van Megen,
Gillis van Barlaymont, heer van Hierges, Caspar de Robles, heer van Billy, Georg
van Lalaing, Graaf van Rennenberg en François Verdugo, heer van Schengen regeert
Filips II tot 1580 over Friesland.
Friesland telde voor de Reformatie
begin 16e eeuw circa 100.000 inwoners verdeeld over 360 parochies die door circa
1000 priesters bediend werden. Daarnaast waren er nog zo'n 50 kloosters en
conventen. Diverse oorzaken zijn te noemen voor de snelle uitbreiding van het
Calvinisme in Friesland. Voor een deel liggen die al in de periode voor de
Reformatie: Friesland is een buitenpost waarop het bisschoppelijk bestuur weinig
gezag over heeft. Nergens waren de kerkelijke ambten zo vermolmd als in
Friesland en soms verworden tot louter bron van inkomsten. De priesters waren
matig geschoold en hielden er vaak een concubine op na. De kloosters hadden
enorm veel land in bezit, tot ongenoegen van de boeren¹.
Onder Filips II
groeit de spanning in de Nederlanden. De hogere adel krijgt het steeds minder
voor het zeggen. De geloofsvervolging wordt daarnaast steeds erger. Nadat
het smeekschrift der edelen aan Margaretha van Parma is aangeboden denken de
protestanten dat de strenge vervolgingen achterwege zullen blijven. Niets is
echter minder waar. De opstand tegen de kerkelijke machthebbers mondt uit in de
beeldenstorm (1566).
Op 31 maart 1580 wordt Willem I, prins van
Oranje, grondlegger van de Nederlandschen Staat door de Staten van Friesland tot
stadhouder en Gouverneur benoemd en vanaf dat moment werd de uitoefening van de
katholieke godsdienst verboden. De burgelijke overheid is nergens radicaler
te werk gegaan dan juist in Friesland. "Alle priesters werden vervallen van hun
ambt verklaard". De katholieke minderheid in de steden werd geholpen door
geloofsgenoten van elders (Haarlem, Leuven, Keulen) ¹.
Buiten de steden
waren de ambtenaren meestal strenger in de uitvoering van de plakkaten en werden
de onderduikadressen spoediger bekend. Nergens zijn de missionarissen zo lang en
zo streng zijn vervolgd als juist in Friesland en in Friesland zijn, evenals in
Groningen en Overijssel, de opeenvolgende plakkaten zeer drastisch geweest.² De
trouw van de gelovigen, die de priesters verborgen, werd vaak zeer op de proef
gesteld: hun eigen veiligheid was in gevaar. (...)
Voorts speelde ook de
economische draagkracht van de gelovigen een rol. Gezamenlijk moesten soms grote
sommen gelds worden opgebracht om de priesters weer vrij te kopen. Zo werden in
de zomer van 1621 niet minder dan zeven priesters gevangen genomen en eerst
losgelaten na betaling van een aanzienlijke losprijs³ en moest voor een priester
die in Bozum werd betrapt, "een enkel paar boeren daar al de kracht hunner beurs
te zijner loskooping aanwenden".
In latere jaren worden de plakkaten wat
minder streng. In 1663 kende Friesland alweer 27 min of meer gedoogde staties
met 27 priesters en in 1699 29 staties met 31 priesters. Dat groeit weinig meer:
in 1805 30 staties en in 1879 29 staties. De grenzen voor de RK kerk liggen
boven de lijn Leeuwarden-Harlingen, met uitzondering van de statie Dokkum en het
zuidoostelijk deel van Friesland ten oosten van de lijn Leeuwarden-Heerenveen¹
Ameland is een verhaal apart, dat was min of meer particulier bezit en
had een vrijheid van godsdienst.
Van 1580 tot 1795 kennen we verder het
stadhoudersschap.
Na Willem I wordt in 1584 Willem Lodewijk (graaf
van Nassau), oudste zoon van Willem's broer Jan de Oude, tot stadhouder en
gouverneur benoemd.
Opeenvolgend zien we: * Ernst Casimir,
Graaf van Nassau, broer van Willem Lodewijk (1620-1632), * Hendrik
Casimir I, Graaf van Nassau, zoon van Ernst Casimir en Sophia Hedwig,
hertogin van Brunswijk (1632-1640), * Willem Frederik, Graaf en later
Vorst of Prins van Nassau, broer van Hendrik Casimir I (1640-1679), *
Hendrik Casimir II, Prins van Nassau, zoon van Willem Frederik en
Albertine Agnes (1679-1707) Jan Willem Friso, prins van Oranje en
Nassau, zoon van Hendrik Casimir II en prinses Amalia van Anhalt-Dessau
(1707-1731) * Willem Carel Hendrik Friso, (later Willem IV) Prins van
Oranje en Nassau, zoon van Jan Willem Friso en prinses Maria Louise van
Hessen-Kassel (1731-1751) * Gedurende de jeugd van Willem V kennen we de
regentschappen van - Anna (1751-1766) en van - de Hertog
Ernst van Brunswijk-Wolfenbüttel (1759-1766) * Willem V, Prins van
Oranje en Nassau, zoon van Willem IV en Anna, kroonprinses van
Groot-Brittannië (1766-1795). In 1795 vlucht Willem V naar
Engeland.
Van 1795 - 1810 zijn de Zeven Verenigde Nederlanden als de
Bataafse republiek (1795-1806) en het Koninkrijk Holland (1806-1810) een
vazalstaat van Frankrijk.
Van 1810 tot 1813 zijn de noordelijke
Nederlanden volledig ingelijfd bij Frankrijk onder Keizer Napoleon
Bonaparte.
Vanuit deze tijd kennen we de voor genealogen belangrijke
wetten als de wet op de Bevolkingsregisters en de wet op het Kadaster.
naar boven
|